dat vuur daalt neer
dat vuur daalt neer ten onzent nu,
in zijn soort het waardigste, zo visoogt
het gifmengende letterheksje, een lieftallig
tolrokje wier gele tandjes krols
op heur lokken staan te bijten, het
indringen der woordkrullen
volop verwachtende & hups
de toekomstige volzinnen
alreeds met inspanning beturende, –
aanziet
o gij dwaalster in het immense vacuum
toch eerder daarin het rijzen
van de tijd zelve, het deegwaren
aanzeggen dat ze op de hoogte dienen
te blijven, het bakvormrandjesreikende
van het smeuig geurende eibloemsel
met de smeltboter in de stoofoogjes
het kan ik u echt niet verder helpen
van de stervende dienstdoener
het blinken niet mijn spaken
heur tanden glitterig gelijk
van het okeren fietsframe,
opflitsend in het niets
(terwijl de befaamde blondjes der
hotte kasseihitters nauwelijks het flossen
staken, slaat de bloedende
kern der harde wielerfanaten
alweer een nieuwe lente in)
(Zoef zoefzoef zoef zoefzoefzoef.
Ze zijn met zeven.)
Het oef een punt.
Het geen geluid vandaag
het want
het lijf is op maar dat
hadden we al we wensen
niet want wat is dat
daar zo nat wat is toch
dat vuur daalt neer
ten onzent nu
dv, 14 -15/03/2007